Ik lig in bed. Op mijn klok kan ik aflezen dat ik slechts vijf uur heb om in slaap te vallen voordat mijn wekker gaat. Ik voel de slaap langzaam opkomen. Mijn lichaam wordt slap, ik voel de dromen al opkomen, en dan: dat zeurderige, hoge piepgeluid waar ik moorneigingen van krijg. Ik krijg bezoek van een mug.
Nu bestaan er mensen die daarmee kunnen leven. Die mensen accepteren het feit dat ze de ochtend erna wakker worden met een stel roze bultjes die jeuken alsof er mieren in verstopt zitten. Die mensen sluiten hun ogen, leggen hun handen op hun oren en vallen in slaap. Ik niet.
Dit is wat ik doe: ik doe mijn licht aan. Dat zorgt voor ongeveer een minuut waarin ik er van overtuigd ben dat ik blind ben geworden. Vervolgens zet ik mijn bril op, want anders kan ik die rotmug niet vinden. Dan ga ik weer liggen. Ik strek mijn blote armen uit als een soort menselijk offer. En ik wacht. Ik wacht tot de mug denkt dat de kust veilig is en op mijn arm gaat zitten, waarna ik hem zal platdrukken tot de seriemoordenaar in mij weer tot rust is gekomen.
Gek genoeg lijkt het alleen altijd alsof de mug weet dat ik op hem lig te wachten. Hij blijft weg en houdt zich stil. Ik kijk inmiddels als een psychopaat om me heen, maar ik zie niks. Ik blijf een kwartier liggen en zie nog steeds geen teken van het monsterlijke insect. Dan zucht ik, doe ik mijn licht uit, mijn bril af en probeer ik weer te slapen. De mug keert weer terug. Ik zie op mijn klok dat ik nog maar drie en een half uur heb om uit te rusten.
De volgende ochtend word ik wakker met maar liefst zes muggenbulten, verspreid over mijn gezicht, hals en armen en het gevoel alsof ik al drie nachten niet geslapen heb. Ik stel me voor hoe de mug vanuit een donker hoekje me observeert en in zijn kleine insectenvuistje lacht. Dan vliegt hij weg en laat hij zijn slachtoffer achter.